Taalontwikkeling

Taalontwikkeling

Wist je dat….

  • het taalgevoel is aangeboren? Een kind kan elke taal leren zolang het maar voldoende wordt aangeboden.
  • de taalontwikkeling een gevoelige periode kent en dat het na deze periode erg moeilijk is om nog de grammatica onder de knie te krijgen?
  • door het luisteren naar taal ook het denken zich ontwikkelt?
  • huilen het begin is van de taalontwikkeling?
  • aanbod van taal een voorwaarde is voor het leren van een taal?
  • taal helpt om de omgeving te ordenen? Voorbeeld hiervan is het verschil tussen jou en anderen.

De taalontwikkeling verloopt volgens vaste fases. Maar elk kind heeft hierin zijn eigen tempo. De ontwikkeling vindt vooral plaats tussen 0 en 5 jaar met daarin vaak grote ontwikkelingssprongen. Hoe de taalontwikkeling precies werkt, weet men nog niet maar men onderscheidt wel een aantal vaste fases.

Overal ter wereld beginnen baby’s met dezelfde klanken, ongeacht de spreektaal. Tussen zeven en tien maanden vallen de klanken af die het kind in zijn omgeving niet hoort. Ze beperken zich dan tot de klanken die ze om zich heen horen. Bij meerdere talen in een gezin leren kinderen dat ze met bijvoorbeeld mama altijd Frans praten en met papa Nederlands. Door deze strikte splitsing is de kans op het mixen van de talen kleiner.

De eerste fase noemen ze de voortalige fase (0-1 jaar) hier wordt de basis gevormd voor de taalontwikkeling. Het huilen (en de verschillende manieren waarop) van de baby is de eerste manier van communiceren. Door het huilen en het maken van geluidjes worden ook de spieren getraind die later nodig zijn voor het spreken. De eerste geluiden zijn fonetisch: a, o, i, e, u en daarna komen de medeklinkers. Rond 7 maanden gaat een baby brabbelen. Een baby oefent met de brabbelfase in het produceren van klanken en imiteert hierbij intonaties. Een kind aan het einde van deze fase ‘vertelt’ vaak hele ‘verhalen’. Die verhalen bestaan vaak nog niet uit echte woorden maar wel al met veel intonatie. Imitatie is de kern in deze fase.

De volgende fase noemen ze de vroegtalige fase 1-2 jaar. Woorden krijgen een betekenis. Vanaf ongeveer 13 maanden maakt het kind een-woord zinnen. Namen van personen, dieren en handelingen leren ze meestal het eerst. Ook het herhalen van woorden komt in deze fase veel voor. Het kind zegt dan letterlijk na wat je zegt vaak nog zonder de betekenis ervan te weten. Rond 1,5-2 jaar maken de kinderen ‘tweewoord zinnetjes’.

Tussen de 2 en de 5 jaar noemen ze de differentiatie fase. Tussen 2 en 2,5 jaar is er vaak sprake van overextensie. Kinderen gebruiken een woord voor een te grote groep. Zo kent het kind het woord ‘paard’ maar gebruikt deze voor alle dieren. Er kan ook sprake zijn van onderextensie. Een kind gebruikt een woord voor een bepaald object ipv voor een verzameling van objecten, ‘snoep’ gebruikt het kind dan alleen voor die roze snoepjes, drop bijv. is dan volgens hem dan geen snoep.

Van 2,5-3 jaar zit er meestal een grote sprong in de taalontwikkeling. De peuter gaat woorden combineren, naast de tweewoord zinnetjes gaan ze ook driewoord- en meerwoordzinnetjes gebruiken en dus gaan zij ook gebruik maken van grammatica. Het woordbegrip groeit enorm in deze periode. De peuter gaat ook gebruik maken van meervoud. Rond 3.5 kunnen kinderen alle klanken los uitspreken maar het kunnen verbinden van klanken in een woord hangt nog vaak af van de plek van de letter. De ‘p’ lukt vaak wel aan het begin van een woord maar nog niet aan het eind.

Rond 3 jaar kunnen kinderen gaan struikelen kinderen over hun woorden. Ze zijn wat gespannen, willen teveel zeggen en missen nog vaak de vaardigheid om dit goed te doen; ze hakkelen dan. Dit kan zelfs een aantal maanden duren. De peuter laten uitpraten, goed luisteren en hem helpen te ontspannen willen wel eens helpen.

Van 3,5 tot 4 jaar kan er sprake zijn van overregulatie. De peuter kan de grammaticaregels consequent toepassen. Maar past ze zo consequent toe dat ze geen rekening houden met de uitzonderingsgevallen. ‘Ik loopte’ ernaartoe ipv ‘ik liep’. In deze periode begrijpen ze al best ingewikkelde zinnen. Dit is ook de periode dat de peuter de wereld probeert te begrijpen en stelt dan ook vaak heel veel ‘waarom’ vragen.

Kinderen leren eerder woorden van dingen die hun interesse hebben. Zo kan het dat een kind al vroeg veel dinosaurussen bij naam kent!

Woordenschat top 10, eerste woordjes is:
1. auto
2. mama
3. papa
4. poes
5. opa
6. koekje
7. oma
8. pop
9. bal
10. paard
(uit: M. Verrips, ‘De taal van je Kind’)

Kinderen pikken taal het best op als er duidelijk en rustig gesproken wordt met korte zinnen. Als ze weer wat verder zijn, zo rond 3,5 jaar, dan kunnen kinderen vaak wat langere zinnen aan en leren hier ook juist weer van.
Tijdens deze periode tot 5 jaar is het correcte aanbod van taal van belang. Als een kind ‘fouten’ maakt, is het vooral gebaat bij een goed voorbeeld. Dit kun je doen door te herhaling van wat je kind zegt maar dan goed en bijv. in vraagvorm. Bijv. je kind zegt: ‘tietui’, dan kun je zeggen: ‘zie jij een vliegtuig?’ Wordt het kind openlijk verbeterd in deze periode dan kan het kind het gevoel krijgen iets ‘fout’ te doen. Terwijl deze ‘foutjes’ juist een teken zijn van ontwikkeling.

Op de verschillende groepen van Altijd Lente vertellen wij (de pedagogisch medewerkers) zoveel mogelijk wat we gaan doen en wat we aan het doen zijn. Op de baby groepen benoemen we vaak dezelfde als: ‘fles’, ‘bed’, ‘mama’, ‘papa’, zodat de baby’s deze woorden leren kennen. We zingen veel liedjes op de verschillende groepen zowel spontaan als op vaste momenten zoals voor het eten, bij het tandenpoetsen enz. We herhalen veel wat ervoor zorgt dat kinderen de kans krijgen om het zich goed eigen te maken.

Ook lezen we regelmatig voor aan de hand van o.a. prentenboeken. Ook hier zorgt de herhaling voor het vergroten van o.a. de woordenschat. We stimuleren de peuters om veel te verwoorden en dus bijv. ook zelf te kiezen waar ze mee willen spelen. En ook bij ‘ruzies’ of onenigheid sporen we de kinderen aan om dit verbaal op te lossen; door ze aan elkaar te laten vertellen dat ze bijv. iets niet leuk vinden of bijv te vragen of ze ergens langs mogen.
Daarnaast voeren we met de peuters groepsgesprekjes en doen we verschillende taalspelletjes zoals elkaar nazeggen, verhalen vertellen, rijmpjes en liedjes verzinnen.

We spreken tegen de kinderen in hele zinnen en maken gebruik van het ‘als vanzelf corrigeren’. Als een kind bijvoorbeeld zegt: “Poes, poes”, dan zeggen wij “ja, daar buiten loopt een poes”; En als een kind een ‘fout’ maakt dan herhalen we wat het kind zegt maar dan goed en bijv. in vraagvorm. Bijv. je kind zegt: ’ik valte’ dan kun je zeggen ‘o, jee, viel je?’ Ook worden kinderen uitgedaagd om hun spel en hun woordenschat te vergroten. Bijvoorbeeld de peuter geeft aan de pedagogisch medewerker een kopje thee. We reageren bijvoorbeeld met ‘o heerlijk, heb je er ook al suiker in gedaan?’

Een leuke tip is om vanaf de eerste woordjes een woordenboekje (in de letterlijke kinderlijke taal) aan te leggen. Zo kun je goed de vooruitgang zien en is ook erg leuk om terug te lezen. Kinderen rond de 3 jaar hebben vaak leuke nieuwe woorden of zinsconstructies. Een aantal van deze schrijven wij onder de ‘Altijd Leukjes’ van de Lentekolder.

| maandag 4 april 2011 | % reacties »

Kindercentrum Altijd Lente

020 672 21 05


Vestiging 1 & postadres:
Willemsparkweg 211 H
1071 HC Amsterdam
Registratie 137157587

Vestiging 2:
Willemsparkweg 148 O
1071 HS Amsterdam
Registratie 135535359

Registratienummers Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB):
100008283 (211), 10033105 (148)

Kindercentrum Altijd Lente. Al 15 jaar niet zomaar een kinderdagverblijf